Reflexive verbs in the present perfect

QuestionAnswer
to oversleep
zich verslapen
I overslept today, so I am late.
Ik heb me vandaag verslapen, dus ik ben te laat.
My brother overslept yesterday.
Mijn broer heeft zich gisteren verslapen.
to wonder
zich afvragen
We wondered why he did that.
Wij hebben ons afgevraagd waarom hij dat heeft gedaan.
I have often wondered if he is coming.
Ik heb me vaak afgevraagd of hij komt.
to change one's mind
zich bedenken
Have you changed your mind?
Heb jij je bedacht?
He left, because he changed his mind.
Hij is vertrokken, want hij heeft zich bedacht.
to adapt
zich aanpassen
They adapted quickly to the new rules.
Ze hebben zich snel aangepast aan de nieuwe regels.
The dog has adapted well to the apartment.
De hond heeft zich goed aangepast aan het appartement.
to look forward to
zich verheugen op
We really looked forward to the holiday.
Wij hebben ons erg verheugd op de vakantie.
We looked forward to the weekend to rest.
Wij hebben ons verheugd op het weekend om uit te rusten.
to interfere with
zich bemoeien met
My colleague interfered with the project.
Mijn collega heeft zich bemoeid met het project.
Why did you interfere with their conversation?
Waarom heb jij je bemoeid met hun gesprek?
to turn around
zich omdraaien
I turned around to look.
Ik heb me omgedraaid om te kijken.
The man turned around suddenly.
De man heeft zich plotseling omgedraaid.
to register
zich inschrijven
I have registered for the course.
Ik heb me ingeschreven voor de cursus.
Did you register at the gym?
Heb jij je ingeschreven bij de sportschool?
to develop
zich ontwikkelen
The city has developed quickly.
De stad heeft zich snel ontwikkeld.
Our child has developed well.
Ons kind heeft zich goed ontwikkeld.
to change clothes
zich omkleden
I changed clothes for the party.
Ik heb me omgekleed voor het feest.
The actor changed clothes immediately.
De acteur heeft zich meteen omgekleed.