Numbers 11 to 20 (elf, twaalf, dertien...)

QuestionAnswer
eleven
elf
The man has eleven books.
De man heeft elf boeken.
twelve
twaalf
thirteen
dertien
We buy twelve apples and thirteen cookies.
We kopen twaalf appels en dertien koekjes.
fourteen
veertien
fifteen
vijftien
The boy is fourteen and the girl is fifteen.
De jongen is veertien en het meisje is vijftien.
sixteen
zestien
seventeen
zeventien
I have sixteen pens and seventeen books.
Ik heb zestien pennen en zeventien boeken.
eighteen
achttien
nineteen
negentien
Eighteen teachers and nineteen students are waiting here.
Achttien docenten en negentien studenten wachten hier.
twenty
twintig
Twenty friends drink eleven bottles of water.
Twintig vrienden drinken elf flessen water.
I see twelve trees and thirteen flowers.
Ik zie twaalf bomen en dertien bloemen.
The store sells fourteen coats and fifteen sweaters.
De winkel verkoopt veertien jassen en vijftien truien.
Sixteen men and seventeen women work here.
Zestien mannen en zeventien vrouwen werken hier.
We order eighteen cookies and nineteen cups of tea.
We bestellen achttien koekjes en negentien koppen thee.
Are eleven students coming to the party?
Komen elf studenten naar het feest?
The hotel does not have thirteen, but fourteen rooms.
Het hotel heeft niet dertien, maar veertien kamers.
Twelve rooms are big and twenty rooms are small.
Twaalf kamers zijn groot en twintig kamers zijn klein.
Where are the sixteen chairs and seventeen tables?
Waar zijn de zestien stoelen en zeventien tafels?