WordbekennenMeaningto confessPart of speechverbPronunciationCourseDutchLessonReported speech in the past perfectUsages of bekennenHij bekende de fout.He confessed the mistake.Zij had de waarheid bekend.She had confessed the truth.De dief bekende alles.The thief confessed everything.Wij dachten dat de man onschuldig was. Hij heeft echter de diefstal bekend.