Wordhet kleinkindMeaningthe grandchildPart of speechnounPronunciationCourseDutchLessonFuture time (over)Usages of het kleinkindWe moeten morgen op ons kleinkind oppassen.We have to babysit our grandchild tomorrow.Over vier uur komen de kleinkinderen en gaan we oppassen.In four hours the grandchildren are coming and we are going to babysit.