Numbers 1 to 10 (een, twee, drie)

QuestionAnswer
one
één
I see one dog and the man sees one cat.
Ik zie één hond en de man ziet één kat.
two
twee
The woman has one car, but we have two cars.
De vrouw heeft één auto, maar wij hebben twee auto's.
three
drie
He has two brothers and three sisters.
Hij heeft twee broers en drie zussen.
four
vier
We see three dogs and four cats.
We zien drie honden en vier katten.
five
vijf
The child eats four apples, not five.
Het kind eet vier appels, niet vijf.
six
zes
You have five bicycles and we have six cars.
Jullie hebben vijf fietsen en wij hebben zes auto's.
seven
zeven
The student reads six newspapers, but I read seven books.
De student leest zes kranten, maar ik lees zeven boeken.
eight
acht
I buy seven apples and eight books.
Ik koop zeven appels en acht boeken.
nine
negen
They see eight boys and nine girls.
Ze zien acht jongens en negen meisjes.
ten
tien
We have nine questions, but they have ten problems.
Wij hebben negen vragen, maar zij hebben tien problemen.
Ten friends are here now.
Tien vrienden zijn nu hier.
One man has ten houses here.
Eén man heeft hier tien huizen.